Ik loop alsof ik zeewier ben.
Al noemt N. mij
vaker een kraai of een vlag, een wapperende vlag.
Ze zegt: Je bent sterk maar
rommelig.
Alsof ik ergens stevig verankerd ben,
maar toch maar wat doe,
meega
met wat er maar komt
(any way the wind blows)
en zij, mijn vriendin
N.,
komt kordaat aangestapt
in kleding die ik niet begrijp maar waar ik wel
van hou,
ze loopt als iemand die weet wat ze doet,
niet twijfelt.
Ze lijkt op
een pakket dat je kunt versturen met de post.
Ze houdt zichzelf op vanzelfsprekende
en jaloersmakende wijze bijeen.
- Maartje Wortel, ('Groef', pag. 13) -