Als we eenmaal lopen vindt zij dat ik te snel ga.

Ik loop alsof ik zeewier ben.
Al noemt N. mij vaker een kraai of een vlag, een wapperende vlag.

Ze zegt: Je bent sterk maar rommelig.
Alsof ik ergens stevig verankerd ben,
maar toch maar wat doe,
meega met wat er maar komt
(any way the wind blows)

en zij, mijn vriendin N.,
komt kordaat aangestapt
in kleding die ik niet begrijp maar waar ik wel van hou,
ze loopt als iemand die weet wat ze doet,
niet twijfelt.

Ze lijkt op een pakket dat je kunt versturen met de post.
Ze houdt zichzelf op vanzelfsprekende en jaloersmakende wijze bijeen.

- Maartje Wortel, ('Groef', pag. 13) - 

_

Tanfana

Ochtendnevel vormt het kleed
van de godin. Schuilt ze hier
sinds haar tempel is verwoest?

Steen, zegt ze, is ontkenning
van het baren en opgericht
mist vaak een bodem. 

Wit is haar weefwerk
vol zijvensters en haarvaten.
Ze oogst - los van Tacitus -
verhalen uit de bron. 

Dan gaat ze, haar kleed 
al opgetrokken. Waar ze
net bewoog, wuiven takken
van een boom haar na. 

- Monica Boschman, ('Tanfana' uit 'Vindersloon', pag, 33) - 

_

Ik sliep zo diep dat ik zweefde en viel tegelijk.

Toen ik wakker werd zwierden de zwaluwen voor mijn raam.
Ik rekte me uit, maar mijn gedachten rekten zich niet uit.
Ze waren nog bij de nacht.
Bij een reus die naar modder rook.
Bij een oog dat een zoeklicht was.
Bij vuurspatten op isolatieschuim.
Slingerstenen die misten. Een sprong van de steiger af. Een val door het plafond.
Donkerte.
De geur van een meisje dat haar armen om me heen geslagen hield.
Iets over een broertje. 

- Edward van de Vendel, (De grote verboden zolder, pag. 227) - 

_