Ik sliep zo diep dat ik zweefde en viel tegelijk.

Toen ik wakker werd zwierden de zwaluwen voor mijn raam.
Ik rekte me uit, maar mijn gedachten rekten zich niet uit.
Ze waren nog bij de nacht.
Bij een reus die naar modder rook.
Bij een oog dat een zoeklicht was.
Bij vuurspatten op isolatieschuim.
Slingerstenen die misten. Een sprong van de steiger af. Een val door het plafond.
Donkerte.
De geur van een meisje dat haar armen om me heen geslagen hield.
Iets over een broertje. 

- Edward van de Vendel, (De grote verboden zolder, pag. 227) -