Hij was een ochtendmens, hij had een hekel aan lang in bed
liggen
terwijl de nachtelijke gedachten nog
onder in de lege schaal van de slaap
rondkruipen.
Hij wilde in zijn eentje door de straten lopen,
als de vensters nog blind en
gesloten
en de tuinen nog nat waren.
Dit was het tijdstip waarop hij de vrees in zijn binnenste
kon laten opstijgen en wegzinken,
waarop zijn gedachten konden tasten en zoeken,
een verkeerde richting inslaan en weer terug dolen,
maar altijd iets konden vinden
dat hij nog nooit eerder had gezien.
- Kerstin Ekman, ('De springbron', pag. 135) -