Er was een tijd dat gruwelijkheden een half doorzichtig, sluimerend bestaan leidden.

Hij keek haar met holle ogen aan en antwoordde: 
ik was het niet die het verzon. 
Het is in mij achtergelaten. 

Zijn stem echode in de ruimte van de slaap. 

- Karin Amatmoekrim, ('De man van veel', pag. 26) -