Misschien ben ik wel begonnen te schrijven om die vlekken te
bezweren
in vormen die ik min of meer beheers.
Zinnen waarvan ik de ruigte of zachtheid onder mijn vingers kan voelen,
de vacht van de taal,
de korreligheid van het vel,
de rok van de woorden,
de gewrichten der lettergrepen,
rustgevend gestold in inkt.
Nog altijd heb ik dromen waarin ik schriften opensla,
de pen op het papier druk
en de zinnen een verdwijnend spoor vormen
alsof het vel zo dorstig of poreus is
dat elke pennenstreek erdoor wordt opgezogen.
De punt waarmee ik een zin afrond, verdwijnt luttele momenten
nadat ik de tip van de pen heb opgeheven.
Ik blader frenetiek in spookboeken,
ik probeer vergeefs mijn eigen spookhandschrift na te lezen
voor het vel het voor zich houdt.
Ik blader en blader,
ik leg mijn vingers op de woorden,
die onder mijn vingers verdwijnen.
Er zijn ook dromen waarin het enige wat op de bladen is achtergebleven de komma’s
zijn,
als krassen van minuscule klauwen,
even onooglijk als de stoppels van mijn vader die achterbleven in de wasbak.
Ik wil ze met elkaar verbinden, in al die verlorenheid een patroon aanbrengen,
een samenhang, iets wat ze van hun toevalligheid kan verlossen.
Dan hoor ik mijn vaders stem:
‘Waarom toch’ vraagt ze,
‘wil je altijd zo precies zijn?
Ik verdwaal graag tegenwoordig.’
- Stefan Hertmans, (‘Schmerzensmann V, Een sculptuur van
Berlinde de Bruyckere, pag. 106-107) -