Tot tenslotte, op een ongedefinieerd moment, haar verdriet wegsijpelde als water in zand. Het zat er nog, maar diep.

‘Nou daar zitten we dan’.
Ze glimlachte voor het eerst.

Hij had nog dezelfde ogen.
Het leven eist zijn tol van het gezicht,
maar de ogen blijven een venster op wat is geweest,

en daarin zag ze hem.

- Delia Owens, ('Daar waar de rivierkreeften zingen', pag 243) -