Ik
verbaasde me wel eens over hoe mild grootvader voor hem was.
Hij heeft hem
nooit veroordeeld, nooit aangespoord zijn leven op de rails te krijgen.
Het
enige wat hij deed na S. ongeschiktheidsverklaring was hem gezelschap
houden.
Twee keer per week, aan een vaste tafel in Hotel New York.
Het is de manier waarop mijn oom het café binnenloopt.
Groot en wankel, en met een onzekere blik.
Zijn brede handen voor zich uitgestoken alsof hij zichzelf moet beschermen
tegen wat er op zijn pad komt.
Hij doet me denken aan het beeld van Zadkine op plein 1940.
Een weerloze man met een gat in zijn midden,
daar waar zijn hart had moeten zijn.
Zo iemand vraag je niet zijn leven op orde te krijgen.
Zo iemand behoed je ervoor dat hij in stukken uit elkaar valt.
- Marjolijn van Heemstra, ('De laatste Aedema', pag. 18) -