Soms moet je ook voor je herinneringen in de bres springen, dacht E. Of zij voor jou.

Haar herinneringen lagen voor een deel ook in het landschap zelf opgeslagen, dacht E.,
ze slingerden tussen de met boomtakken en struiken bezaaide oeverwal
en zaten misschien ook nog ergens tussen die blauwe veren van de ijsvogel verborgen.

Ze zaten niet alleen in haar eigen hoofd,
maar hadden zich ook vastgezet in de grassprieten
en pijnappels op de zanderige, rotsachtige oever
en zelfs in het stroompje water dat nog restte van de eens zo onstuimige rivier.
Ze was niet de enige archivaris van haar herinneringen.
De herinneringen waren er nog, ook al was de rivier veranderd.

Niets verdween ooit volledig uit het zicht,
alles keerde in een andere vorm weer terug.
Het had dus geen zin om nostalgisch naar vroeger terug te verlangen
noch om er angst voor te hebben.

Ze moest alles, het mooie en angstaanjagende, durven opnemen in wie ze nu was.
Ze moest weer wat vaker dat meisje durven zijn,
voor wie het midden van de rivier een groot en spetterend heden was,
en elke duik in het water de omarming daarvan. 

- Joke Hermsen, ('Rivieren keren nooit terug', pag. 200) -