Haar
herinneringen lagen voor een deel ook in het landschap zelf opgeslagen, dacht
E.,
ze slingerden tussen de met boomtakken en struiken bezaaide oeverwal
en
zaten misschien ook nog ergens tussen die blauwe veren van de ijsvogel
verborgen.
Ze zaten niet alleen in haar eigen hoofd,
maar hadden zich ook
vastgezet in de grassprieten
en pijnappels op de zanderige, rotsachtige oever
en zelfs in het stroompje water dat nog restte van de eens zo onstuimige
rivier.
Ze was niet de enige archivaris van haar herinneringen.
De herinneringen waren er nog, ook al was de rivier veranderd.
Niets verdween
ooit volledig uit het zicht,
alles keerde in een andere vorm weer terug.
Het
had dus geen zin om nostalgisch naar vroeger terug te verlangen
noch om er
angst voor te hebben.
Ze moest weer wat vaker dat meisje durven zijn,
voor wie het midden van de rivier een groot en spetterend heden was,
en elke duik in het water de omarming daarvan.