‘Elk
dier had een eigen naam, een eigen adem.
Wij op de boerderij voelden ons
overspannen door de hemelkoepel,
net als onze dieren.
In mijn dromen komt dat
nog altijd terug.'
Het was allemaal in hem opgetekend.
‘Ik zie mijn grootouders, ook al heb ik hen fysiek nooit gekend.
In mijn intiemste momenten geven ze mij een boodschap die ik niet kan verwoorden.’
- Koen Peeters, ('De mensengenezer', pag. 81) -