De lokroep van het bos blijft op je huid kleven
kruipt en grijpt zich vast aan je oor
ruist en huist tussen hamer en aambeeld.
Je pogingen om hem weg te krassen uit je weefsel
lopen uit op gehoornd verzet dat uit jouw schedel groeit.
Wat jij dwangmatig probeert te temperen haalt je hard in
keer op keer
ben jij weer de naakte verliezer.
Het bos roept.
Een priester gebood mij in een droom dat ik zijn geplunderde kerk
moest redden
niet wetende dat ik een brandende fakkel achter mijn rug hield.
Ik gaf geen gehoor en een week later stuurde hij een Aramees mannenkoor
naar mijn slaapkamer.
Op schermen verschijnen nieuwe goden
met golvend geblondeerd haar en gevulde lijven.
Zij prediken peperduur geluk.
Mijn grootmoeder zegt dat vrouwen pas na hun zeventigste vrij zijn
dan zijn ze overbodig.
De vrouw geschapen uit een zwevende rib van Adam.
Mijn vriendin is terug in haar moederland
aan de Tigris leest ze zelfs de sportbijlage van de krant.
Heimwee barst uit in een gulzig monster.
Het bos roept nog.
Jij bent ook geboren in een vesting.
Jouw gewei is afgezaagd voordat jij het je kon herinneren
maar de littekens op je schedel zijn nooit genezen.
Je wacht elke schemering op de vleermuizen
je keel produceert jou onbekende resonanties
je aait langzaam de tongen van varens en wacht tot ze openrollen.
Je zoekt het gesternte in de overbelichte hemel.
Onder jouw huid wemelt het van krioelend leven.
Je stem gaat op jacht en de stad zal sterven.
Het afscheid zal zwaarder zijn dan de ingebeelde dood van een minnaar.
Het bos blijft roepen.
laten we gehoorzamen
laten we oefenen in alleen sterven
dat is het enige waar we bang voor zijn
laten we het vlees van de nieuwe goden offeren.
Sta jezelf toe
sta mij toe
laten we
de stad afbranden
tot as toe
zuiver as.
Het bos zal genadig mens dier en ding opslokken
als een toegewijde moeder.
Daarna hervinden we onszelf
met een nieuw gewei in de donkerte
in de handpalm van de oude godinnen
met zwart haar en boven de zeventig.