‘Zou het kunnen dat ik je gekend heb toen ik zeven was en dat ik me dat niet meer herinner?’ zei ze.

Ze vertelde dat ze was opgegroeid met twee bedden in haar kamer.
Omdat haar ouders op het moment dat ze de meubels kochten
van plan waren een tweede kind te nemen
– dat kind was er nooit gekomen,
maar het bed was gebleven.

Ze was eraan gewend geraakt met dat spookbroertje te leven,
haar moeder niet: ze beschreef haar als een lijdende vrouw,
een slaapwandelaarster die door het huis dwaalde,
op zoek naar een gevoel dat haar telkens ontglipte. 

Paulo Cognetti, (Sofia draagt altijd zwart, pag. 221) -