Zijn herinneringen zijn vervloeiingen, verspringingen, zegt hij.

We hebben het voor het eerst, zonder elkaar al goed te begrijpen, over het perspectivisme.
We vinden dat er een genealogie van mensen zit in voorwerpen en huizen,
dat je stambomen kunt herkennen en aflezen die verwijzen naar levensfeiten,
die je kunt oproepen door erover te praten.
Zoiets is het ongeveer, en ik kan dit niet uitleggen zonder dat mijn ogen gaan blinken.

‘Maar waarom wil jij zo perspectivistisch zijn?’ vraagt B. nu aan mij.
‘Omdat ik nieuwsgierig ben, graag in vreemde huizen binnendring,
om te begrijpen wat anderen al ontdekt hebben.’

Dat begrijpt hij, dat wil hij ook. 

- Koen Peeters, (Kamer in Oostende, pag. 82) -