tot de kinderen groot zijn en de aardbeien
rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te hard.
Zullen we wachten tot de avond valt en
de nacht waarover wij nog een keer
willen slapen. Zullen we wachten op
een eerste stap zo reusachtig dat je
makkelijk een tent tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen, aardbeien
rijpen en niemand nog buiten de zomer kan.
‘Zoals wij nooit buiten onze moeders’. Een
oude vrouw schudt mij de hand. Stevig.
‘Wij treden uit onze moeders slechts even,
misschien uit hoogmoed, zoals een zee
bij vloed uit haar bedding’.
De achtergrond gaapt als een leegte of
vermoeide. Ze staat op en zet de naald opde plaat. De muziek kraakt. Ze zegt ‘alles
wat je hoort, hoort erbij’.
- Maud Vanhauwaert, (Wij zijn evenwijdig. Raken elkaar in het oneindige. En we rennen.) -