_

Op een met gras begroeide open plek stijgen we om de paarden te laten rusten.
We zijn bijna halverwege de berg, zegt mijn oom.
Hij heeft dezelfde zachte stem als de andere mannen in mijn familie.
Nu, zo ver van hen verwijderd, bedenk ik dat het een timbre van afscheid is.
Woorden verlaten ook zijn mond aarzelend, alsof hij ze liever niet prijsgeeft.

- Anneloes Timmerije, ('Het andreaspad' uit 'De plaats der dingen', pag. 172,173) -