Wanneer ik terugloop, kijk ik achterom

De eerderen leer ik steeds beter kennen,
men herhaalt ze. Hun handen vormen
te grote kommen voor mijn borsten, het tocht
tussen mijn gekromde rug en de holte
van hun schoot. Ze verdedigen zich nog
met de geest die er als een gaswolk
achteraan zweeft. Het is goed

zo. Laat me door
het matras vallen, terug
de dromen in. Laat me

herinneringen aantasten, veranderen
in eerdere lijven terwijl ze aarzelend van moedervlek
naar moedervlek trekken. Ik ben tevreden
met een voet

die de mijne onder de tafel mist,
om langs een schouder naar het plafond te staren.
Zien dat het barstjes ontbeert.

- Ellen Deckwitz, ('De steen die mij vreest', pag. 19) -