Poëzie is voor mij een meisje van negen met kortgeknipte haren.
Bleek, rommelig en volstrekt niet verheven is zij giechelend, wreed, radeloos en af en toe grandioos verveeld op zoek naar gedachten die het doen.
Ze is een halve wees in een straat vol afkeurende moeders en laat onder haar regencape haar onderbroek zakken.
Ze ligt in bed en snuit haar neus in de lakens, want zulke prinsessen bestaan,
dat heeft ze gelezen.
Iedereen schreeuwt en zij ligt op haar buik voor een kijkdoos
en doet of ze weg is.
Poëzie is haar honderdduizend deurtjes uit de werkelijkheid.
- Esther Jansma, ('Dagboek of kunstwerk. Het van taal gemaakte ik.' uit 'Mag ik Orpheus zijn?', pag. 42) -