In de schemer waren ze niet langer individuen, maar waren ze als een
oude boom geworden die langzaam wiegde in de wind. Boven het huis hing een hoge
wolk, half doorzichtig, alsof hij met wit krijt op blauw papier was getekend.
Nooit eerder had er een wolk als deze bestaan, nooit zou een wolk er nog eens
zo uitzien. Ze zag de witte vorm, maar zou hem in haar herinnering nooit meer
terug kunnen vinden. Vluchtigheid was alomtegenwoordig.
Ze moest kiezen tussen
voortdurend afscheid nemen of nooit.
- Pauline Slot, ('En het vergeten zo lang', pag. 24) -