De sneeuw was sneeuw, de bomen waren bomen

Die eindeloze zomernachten, zo licht en open, waarin we in zwarte taxi's tussen verschillende bars en cafés in verschillende wijken rondreden, alleen of met anderen, waarin de roes niets bedreigends had, niets destructiefs, maar een golf was die ons steeds hoger voerde, begonnen langzamerhand en onmerkbaar donkerder te worden, het was alsof de hemel aan de aarde werd bevestigd, het lichte en vluchtige kreeg steeds minder speelruimte, het werd door iets gevuld en vastgehouden tot de nacht eindelijk stilstond, een muur van duisternis die 's avonds werd neergelaten en 's ochtends weer werd opgehaald, en plotseling was het onmogelijk je die lichte, rondfladderende zomernacht voor te stellen, als een droom die je je tevergeefs probeert te herinneren wanneer je wakker wordt. 

- Karl Ove Knausgard, ('Liefde', pag. 239 ) -