En zij dansten in het donker, in de kilte, in de verregaande stilte van ergens waar het nergens was

Een man sliep
en een engel schudde hem wakker,
telkens opnieuw,
riep in zijn oor:
niet slapen! wij vechten met elkaar! jij en ik!
weet je dat soms niet?

ja, zei de man, ik weet het,
en de engel brak zijn handen en zijn gedachten
en de resten van zijn verstand

de man werd brozer en strammer,
miskende het gewicht van zijn verwarring,
liet zijn hoofd zakken,
praatte zachtjes met zichzelf…
en de engel gooide hem in een ravijn
en riep:
niet doodgaan, jij! niet doodgaan!

en de man ging niet dood.

- Toon Tellegen, ('Stof dat als een meisje', pag. 56) -