Eerst moet je beloven dat je me gelooft

Mijn broer en ik deden vroeg altijd een spelletje.
Ik wees op een stoel, DIT IS GEEN STOEL, zei ik dan.
V. wees op de tafel, DIT IS GEEN TAFEL.
DIT IS GEEN MUUR, zei ik dan weer. DAT IS GEEN PLAFOND.
En zo gingen we door.

HET REGENT NIET BUITEN.
MIJN VETER IS NIET LOS! schreeuwde V.
Ik wees op mijn elleboog. DIT IS GEEN SCHAAFPLEK!
DAT IS GEEN KETEL. GEEN KOPJE! GEEN LEPELTJE! GEEN VUILE VAAT!

We ontkenden hele kamers, jaren, weersomstandigheden.

Bij één gelegenheid, toen we echt heel hard stonden te schreeuwen, haalde V. diep adem. Uit volle borst gilde hij: IK! BEN! NIET! AL! MIJN! HELE! LEVEN! ONGELUKKIG!

Maar je bent pas zeven, zei ik.

- Nicole Krauss, (De geschiedenis van de liefde, pag. 47) -