Uren lig ik al wakker in het gloednieuwe echtelijke bed, dus als de telefoon om halfzeven gaat, krijgt het antwoordapparaat geen kans. Bovendien weet ik voor ik hoor.
‘De reus is geveld’. Sjaak huilt.
Hij zegt: ‘Hij was zo groot en zo sterk. Hij kon met gemak een huis optillen’.
‘Met één hand’, vul ik hem aan.
Snotterend verbazen we ons over onze eigen woorden, lachen en snuiten onze neuzen.
We zijn weer kinderen. Zijn kinderen en zo klein dat het even lijkt of we geen telefoonhoorns in onze hand houden, maar conservenblikjes.
Langs vliegertouw vertellen we elkaar sprookjes over reuzen.
En we gaan weer huilen als we ons realiseren nu wees te zijn.
- Marijke Hilhorst, (De vader, de moeder en de tijd, pag. 221) -