Op hun plaats zijn ze nergens, maar overal de zware keien deelbaar door elk toeval

Wat als iets zoekraakt
in het grijs tussen keien?
Stilte valt in het oog,
de plek waar iets niet is.

Kan ik ontevreden zijn
met de ontelbare stenen
daar beneden in de baai?
Zeg maar dat ik blind ben

voor de kei tussen keien
waar ik aan twijfelen kan.
Te zien of niet te zien
iets moet er zijn

zegt al wat is.

- Anneke Brassinga, ('Weg I' uit 'Wachtwoorden', pag. 102) -