Dat zou een vervaging geven, alsof ik een spook was en zweefde

Hier stopte hij en begon opnieuw, hij zong het lied steeds anders.
Maar ik moest opschieten, ik moest in bed liggen voor de wekker ging.

Op school leerde ik moeilijk, maar dit lied onthield ik.
Mijn moeder vond het ook mooi en ze zong mee.
Ze zei dat liedjes altijd gemaakt worden door minnaars.

‘Nee, dit lied is door Pa gemaakt. Dat weet ik, hij maakte het toen hij zong.’

‘Waarom zou Pa geen minnaar zijn? Minnaars zitten in een klein hoekje.
Soms vallen ze uit de lucht als zwanen.
Soms is een minnaar een God vermomd als een oud ventje.

Niet aan de juf zeggen.’

- D. Hooijer, ('Het winterkwartier' uit 'Sleur is een roofdier', pag. 92) -