Later die dag spreidde ze de eenzaamheid die haar soms zo vijandig kon overvallen genoegzaam over zich heen. Onder haar lag een stapel dikke hotelkussens.
Ze keek naar haar ronddraaiende polsen en besefte dat het ontvluchten daar dus was begonnen, bij de pols van de Tiktaalik, die hem de mogelijkheid gaf zich uit het water op te drukken en de wereld van ijskoud vocht te verlaten waarin vissen door grotere vissen werden gegeten.
Onze conflictvermijdende voorouder voelde weinig voor groeien, pantseren en camoufleren.
In de hoop de strijd te ontvluchten, koos hij de poten.
M. begreep wel dat de aangegroeide ledematen een zaak van evolutie en instinct waren geweest en dat het hoe dan ook weinig zin had zich oordelen te vormen over levende wezens, vooral prehistorisch.
Toch vond ze de vlucht van de voorouder even begrijpelijk als lafhartig en herkende ze het verlangen de eigen leefwereld te ontglippen. Het ultieme afkeren moest wel de dood zijn, een besef waarvan ze was doordrongen maar waarover ze weinig sprak.
Toch wachtte ze niet zozeer op haar overlijden, als wel op de aangroei van een derde hand die haar voortdurend kalm streelde, of een extra hersenkwab die een ontbrekend, noodzakelijk inzicht genereerde.
- Annelies Verbeke, (Vissen redden, pag. 80/81) -