Je denkt symbolen uit. Telkens dat wonder
dat jou iets invalt bij de dingen die
je ziet. Wat er op wijst: je kunt niet zonder.
Jouw rêverie.
Jouw rêverie: de leemte in te vullen
die elk ding is. Je zet jezelf te kijk.
Een ogenblik triomf en dan verval.
Verraadselingen. Die dat juist verzwegen.
Jij wist het al.
En toch, je wist het al, verbintenissen.
Home-made allicht. Daarom hopeloos heel.
Waarin je bent. Je kunt jezelf niet missen,
als woord teveel.
Maar ook die ander heb je ingesponnen
een mens valt samen met een beeld in taal.
Er is geen houden aan - jij wilt behouden,
onuitgesproken, maar je spreekt het uit.
Je denkt symbolen uit, verzingt de vragen.
‘t mooist is altijd wat daarover weer zwijgt:
een beeld om niet, dat in zichzelf voldragen
jou overstijgt.
- C.O. Jellema, (gedeelte 'in de koude voorjaarsnacht', pag. 31-32) -