Ze staan in het witte veld. Hun enkels zakken er doorheen of misschien hangt er nevel, want hun schoenen zijn onzichtbaar geworden.
‘We zijn aan het verdwijnen’, zei het hoofd.
‘Het voelt best rustig,’ liegt de romanticus. Hij begint een liedje te fluiten maar stopt als hij hoort dat het ‘Op de grote stille heide’ is.
‘Straks zien we onze vader misschien’ zegt Oud. ‘Hij is lang en vriendelijk en hij speelt op een fluit. Die was hij kwijt, maar nu heeft hij hem weer.’
‘Eerst horen we de muziek en we lopen ernaar toe’ zegt de romanticus.
‘En onze harten bonzen’ zegt het hoofd. ‘Want we weten dat over één seconde alles goed zal zijn, dan zijn we zo blij dat het haast niet in ons past.’
‘En zo lopen en rennen we naar hem toe,’ zegt Oud.
‘We weten bijna zeker dat hij het is, maar nog niet helemaal. We denken aan die blijheid als een soort misschien.’
‘Op die manier zijn we daarna nog blijer. Doordat we eerst “misschien” dachten.’
‘Dan moeten we honderd keer opnieuw naar hem kijken en dat “misschien” in blijheid voelen veranderen.’
‘En dan nog eens honderd keer, want het voelt zo lekker.’
‘We zijn voor altijd opgelucht, nee, voor altijd voelen we ons opgelucht wórden.’
‘We hoeven hem nooit meer te herinneren. We hoeven voortaan alleen maar naar hem te kijken en dan weten we het weer.’
‘Ik denk dat ik een fluit hoor.’
‘Rennen, niet huilen!’
‘We moeten “misschien” blijven denken!’
- Esther Jansma, (‘Het wit’ uit ‘Picknick op de wenteltrap’, pag. 124/125) -