Zo was het, we voeren naar
de overkant, het was zo licht zo
godsonmogelijk zomers licht
de lucht veel hoger.
'We zinken' riep ze en of
ze nog 'n lolly mocht en of we
niet voor altijd konden blijven varen
waarom de lucht zo hoog -
'We zinken niet' zei ik terwijl ik
ook niet wist waarom de lucht
zo hoog, waarom we zomaar -
waarom we zoveel van elkaar hielden.
- Margo van Gelder, ('Nicoline' uit 'Alle dozen recht', p. 32) -