Zag ze de schreeuwende wanverhouding tussen de onbeduidendheid van de oorzaak en de enormiteit van de daad niet? Wist ze niet dat haar plan buitensporig was?
Ja, maar juist die buitensporigheid trok haar aan.
Ze wilde niet redelijk zijn. Ze wilde zich niet bezonnen gedragen. Ze wilde niet redeneren.
Ze bewonderde haar hartstocht, omdat ze wist dat hartstocht per definitie buitensporig is.
- Milan Kundera, ('Onwetendheid', pag. 73) -