Er kon weer eens gebeuren wat wil

Vragen van anderen brengen mij meestal in verlegenheid.
Ze klinken alsof ik ze mijzelf nooit heb gesteld en naarmate ze me onbekender voorkomen, krijgen ze meer gewicht. Er moet toch een reden voor zijn waarom je jezelf de vragen die je bij iemand anders oproept, nooit stelde? Is er iets dat je voor jezelf geheim houdt, een verborgen kwaad, een ongewenste karaktertrek, een onbekend domein in jezelf, waarvan de ander, degene die je de vraag stelt, een vermoeden heeft gekregen?

Ik hou er wel van, maar neem ze het liefst mee naar huis, naar de plaats waar ik alleen ben en pas werkelijk over een antwoord kan nadenken.

Het antwoord wat ik ter plekke geef is provisorisch, onvolledig, een eerste gissing.

- Connie Palmen, ('De priester', pag. 41) -