Eenmaal ben ik van huis weggelopen, ik was tien jaar.
Niet omdat er iets onaangenaams was gebeurd, of omdat de toestand mij op een andere manier bedrukte, maar omdat ik plotseling weg wilde, misschien was het een bepaalde geur in de lucht,
of een witte stapelwolk aan de horizon.
Ik haalde mijn fiets uit de schuur en fietste de stad door, richting zon,
vastbesloten om nooit meer terug te komen.
In de weiden reed ik door dorpjes waarvan ik de namen kende maar waar ik nooit geweest was.
Het was zomer, dat wil zeggen een zomer in de jeugd, dus een warme zomer, en een eindeloze warme dag daarin. Ik fietste het ene uur na het andere, terwijl de ruimte om mijn lichaam steeds wijder werd, zoals wanneer ik een jurk van mijn moeder had aangetrokken.
Weg wilde ik, weg.
Maar wanneer kwam ik daar eindelijk eens aan?
Ja, ik geloof dat ik toen op een of andere manier dacht, dat men in 'weg' kon aankomen,
dat dat een plek was, net als het huis waarin ik woonde.
- Harry Mullisch, (Twee vrouwen, p. 14) -