'Wat is er A.?'
'Hier ging het om', zegt ze
'dit is wat ik het meeste mis'.
Ze vertelt dat ze S. overdag nooit zag en elke nacht alleen sliep,
maar dat hij met een voorname trouw ’s avonds om half zeven naar huis kwam om met haar te dineren. Ze kon er de klok op gelijkzetten.
En elke dag dekte ze de tafel met damast, zette twee kristallen glazen naast het bord, decanteerde de wijn, kookte de gerechten waarvan ze wist dat hij ervan hield.
Klokslag halfzeven kwam hij binnen, ging tegenover haar zitten en dan deed zij verslag van de dag. Het maakte niet uit wat.
'En nu kun je je verhaal niet dagelijks kwijt'.
'In het begin dacht ik dat het zo in elkaar stak, dat ik mijn verhaal niet kwijt kon. Maar het is veel erger. Sinds ik S. niet langer over mijn dag kan vertellen, maak ik niks meer mee'.
Hij herinnert zich de duizeling van het inzicht.
Gebeurtenissen vinden plaats bij gratie van hun verhaalbaarheid.
Het verhaal volgt niet op de feiten,
het schept de feiten.
- Connie Palmen, (Lucifer, p. 126-127) -