Hij stond in het midden van mijn kamer,
haalde twee flessen wijn uit de binnenzakken van zijn regenjas
en keek keurend in de rondte.
'Dus hier heb je je opgesloten' zei hij,
'in een kloosterkamer met wat boeken.
Alles geveegd en tot in de puntjes verzorgd,
streng modern zou ik zeggen,
en hoe denk je je uit dit contemplatieve isolement te verheffen?
Die vlek verdient aandacht',
zei hij en hij wees naar het parket.
'Waarom komen die worsten uit Japan?' vroeg ik.
'Dat vroeg ik me dus ook af, maar snobisme kent geen grenzen'
zei hij terwijl hij zijn handen waste
en op zoek ging naar borden en bestek.
- Doeschka Meijsing, (Over de liefde, pag. 15 ) -