Haar haar zat meestal in de knoop. 'Dat is niet erg', zei ze.
Want, had ze me een keer toevertrouwd,
ze kende een gedicht en daar leek ze op, vond ze.
Ze had haar rug gerecht en plechtig voorgedragen:
‘H. is mijn vriend.
In zijn haar zitten veel knopen maar hij kamt ze nooit uit.
Hij zegt: in elke knoop zit een stukje van toen.
Van toen hij nog daar was, niet hier
waar hij buiten altijd een helm wil dragen
omdat er teveel in zijn hoofd komt,
je houdt het niet tegen.
’s Nachts wordt hij een haas en
springt als de weerlicht naar daar’ *.
Daarna had ze een uur lang niks meer gezegd.
Ook niet als ik haar wat vroeg.
F. 2007.
*Eva Gerlach, (Oog in oog in oog in oog, pag.onbekend)