Een zijweg, nog een, nog een

Toen de bus van A naar B opeens
maar langzaam richting X ging,
ongeveer, stonden inzittenden
rommelig op, ze zeiden: we passen,
we weten B.

Andere kropen als kinderen
tussen de stoelen, in hun jassen
tegen het rillen, in het willen
gemist en Daar en Toch en Kijk
weer opgevist.

Buiten de haltes gezwaai en
geblaat: het nieuw was eraf, het
eten verpieterde, te laat was
te laat, verliezen verliezen,
niet mee niet mee.

Dames en heren, zei de chauffeur,
de wind laat wuiven. Wat hebben we
hier: de dag, de lucht, eruit,
een zijweg, nog een, nog een, B
en de remise.

- Joke van Leeuwen, ('De bus' uit 'Vier manieren om op iemand te wachten', pag. 16) -