Hij trok aan zijn autogordel, zodat hij meer ruimte kreeg,
en zakte onderuit. Laten we naar Parijs rijden, dacht hij.
Dat was wat zijn vader vroeger altijd had gezegd
als de stemming goed was en het weer zonnig.
Laten we naar Parijs rijden.
- Marjolijn Februari, ('De literaire kring', p. 77) -