Iemand woont op een plek die ze niet kent.
Het blijft wennen, ze denkt in stevige termen
over de dingen na terwijl ze er vanzelf in wegzakt
en ze houdt niet van vanzelf, ze schrikt steeds zo.
Het is stil, het zijn de seconden van de lichte
beschadiging die wennen heet, de kinderen gingen
hun monden wijdopen van verhalen of huilen
met de wereld mee en zij wacht tot iets het begeeft
met kleine zakelijke handen schept zij dinosaurussen
uit water waarin zo-even nog werd gespeeld.
- Esther Jansma, ('Over het vanzelf dat natuur heet' uit 'Alles is nieuw', pag.30) -