En toen vielen
ja, toen vielen ze tegen elkaar aan,
ik weet niet hoe ik het beter kan uitdrukken.
Waarschijnlijk was het zo dat ze elkaar wilden omhelzen, voor de laatste keer,
en toen leek die al ingezette beweging onmogelijk,
maar kon niet meer worden gestopt,
ze liepen struikelend naar elkaar toe,
zochten elkaar met hun handen, onbeholpen als blinden,
ze botsten met hun hoofd tegen de schouder van de ander,
toen richtten ze zich op, trokken zich terug
en wisten niet wat ze met hun armen en handen moesten beginnen.
Eén, twee seconden afschuwelijke verlegenheid,
toen trok J. de deur open en stormde naar buiten.
- Pascal Mercier, (Nachttrein naar Lissabon, pag. 313-314) -