Gelijk de herhaling

Zomer kondigde zich aan in de knoppen van de bomen.
Ik droeg je zonder moeite de gangen door
langs de ruimtes waarin wij elkaar herkenden.
Los liet ik je geen moment.

Blijf toch riep ik onophoudelijk tegen de muren, verdwaalde,
kwam niet meer uit waar we waren.
Als straf of ongehoorzaamheid verdween je om hoeken, in kieren, gaatjes,
muizengangetjes.

Ik leef in synoniemen van herhaling.