Als het anders kon

Kom mee, zei ze. Kom met me mee. Waarheen dan ook.
Naar het noorden. Naar het zuiden. Weg van hier.
Dat van het kind doet er niet toe. Ik heb je nodig.
Diep in mijn hart ben ik angstig. Jij hebt moed.

Ik schudde mijn hoofd en vroeg haar boeken te leen.

Als je meerijdt, zei ze. Al is het maar tot halverwege.
Dan heb ik niet het gevoel dat ik je in de steek laat,
maar dat ik je bevrijd.

- Fleur Bourgonje, ('Nevelpaarden’, pag. 67) -