Alles ademt zwaarder, en dat ben ik? Wat heeft dit te betekenen?
'Zijn jullie al onderweg? Over.' Iets liet ons steeds weer in de steek,
raar maar waar, iets glipt steeds opnieuw uit onze handen,
iets dat zijn beste tijd heeft gehad, iets ongelooflijk dierbaars.
Onze uitgelaten stemming moest gehandhaafd tegen elke prijs.
'Zo te zien maar één inzittende. Over.' Onze angst voor grote woorden.
Het aquarium, je trotse aanwinst, elke week dreef er wel een vis
op zijn kant, rondgepompt met een brommend geluid,
verstrikt in de waterplanten, of plat op de bodem als een mens
verwikkeld in dromen. Het rood achter de kiewen, de gesloten bek,
een lichte waas over de verbaasde ogen. Die strenge regelmaat,
week na week. 'Is hij dood?' Die vreemde zekerheid. 'Nee, hij slaapt.'
- Alfred Schaffer, ('Eenmaal andermaal VI’ uit ‘Geen hand voor ogen’, pag. 84) -