Hij buigt zich over haar heen, alsof ze klein is. De vissen liggen nog onaangeroerd op het aanrecht. Bolle, mistige ogen. Ze dobbert met hen mee de zee in. Hij laat haar gaan.
Wit wordt ze in de winter. Ze verft haar haren maar niemand herkent haar anders. De beren op de weg, vraagt ze zich af, zouden die ook een winterslaap houden.
Als ze denkt dat ze alleen is oefent ze pirouettes in de kamer.
F.