
Als ik haar vraag dan praat ze wel. Ze vertelt anekdotes en zet daarbij stemmetjes op. Over hoe ze bijvoorbeeld destijds haar trouwring in tweeën brak want het was een flinterdun ringetje vanwege de oorlog. Ze heeft de ringhelften aan opa gegeven. Of ze nog weet waar ze zijn gebleven, wil ik weten. Dat weet ze niet. Ze heeft er ook nooit meer naar gevraagd.
Er klinkt nooit emotie door in haar stem. Het lijkt alsof ze heeft besloten dat emoties haar niet verder brengen in dit leven. Ik heb haar maar één keer met tranen in haar ogen gezien. Niet toen opa stierf maar tijdens een familieweekend, toen we haar een broche gaven.
Ze wil niemand over de vloer hebben want daar heeft ze allemaal geen zin in, zegt ze, ze wil haar eigen tijd in kunnen delen. Daarnaast wantrouwt ze iedereen, schrijft de dokter pillen voor neemt ze maar de helft in of ze stopt middenin een kuur.
Maar dankzij haar voorzorgsmaatregelen kan ze de wereld open tegemoet treden. Zolang hij niet bij haar op de koffie komt, mag de buitenwereld zijn wie hij is. Toen ze nog goed ter been was ging ze elk jaar een kijkje nemen bij de gayparade in haar geboortestad, Amsterdam. En als ik haar vraag naar haar mening over allochtone Nederlanders dan vertelt ze over het Surinaamse meisje dat meegekomen was met de verzorgende die haar wast omdat zij het vak nog moest leren. ‘Prima’ vond ze, ‘maar die Groningse van hier tegenover moet haar niet’. ‘Als je nog een keer zwartje zegt dan geef ik je een klap op je kop’ had ze de vrouw duidelijk gemaakt.
Het is zondagmiddag, ik stel voor om buiten even een ommetje te maken, we zitten al twee dagen binnen. ‘Welke dag is het vandaag’ vraagt ze. ‘Zondag’ antwoord ik. Dan laat ze haar stoel omhoog komen en met het tellen van 1 tot 3 zet ze zich op haar benen. Ze gaat iets anders aantrekken, de blouse en rok die ze aan heeft zijn niet zondags genoeg. Ik verbaas me hierover aangezien ze niet gelovig is opgevoed en het ook nooit is geworden. Maar ze is duidelijk een kind van haar tijd. Op haar hakken loopt ze achter de rolator. We lopen één rondje om het gebouw heen. Daarvoor heeft ze zich verkleedt, haar haren gekamd, extra lippenstift opgedaan.
Soms denk ik dat ze toneel speelt. Dat achter dat uiterlijk vertoon nog een diepgang schuilt. Ze vindt me traag. ‘Je denkt teveel’ zegt ze ‘je moet meer doen, niet zoveel denken. Actie.’ Het is hoe ze haar leven heeft geleefd. Niet teveel overal bij stil staan. Je moet toch verder. Oorlogsoverlever. Misschien is het dan toch geen toneel, er is niet meer dan dat ik zie of hoor. Hooguit de pijnpunten zullen verscholen liggen.
Wanneer ik haar fotografeer heeft ze twee gezichten. Op het ene kan je aflezen hoe het met haar gaat. Ik zie lichamelijke pijn, afkeuring, trots. Het andere zet ze op als ze voor me poseert. Ze lacht nooit. In tegenstelling tot vandaag de dag waarin mensen automatisch gaan glimlachen als je hen op de foto zet, kijkt ze, zoals ze het destijds heeft geleerd, strak de camera in.